René Koerhuis

15/07/2018

René Koerhuis

Precisielandbouw, tegenwoordig vaak ‘smart farming’ genoemd, fascineert mij al ruim 20 jaar. Het is vooral fascinatie voor de techniek en de mogelijkheden ervan. Veel TREKKER-lezers zullen zo’n fascinatie herkennen. In mijn geval draait het echter niet om groot, groter, grootst, maar om slim, slimmer, slimst. Zo duik ik bij een trekker niet onder de motorkap, maar in de gps (Isobus) terminal en krijg ik het, zeker bij zomerse temperaturen, warm van slimme apparatuur, werktuigen en machines die plaatsspecifiek meten en werken.

Ik hoor fabrikanten nogal eens zeggen: ‘Niet omdat het moet, maar omdat het kan’. Daarmee bedoelen ze dat er voor dure (smart farming) technologie altijd markt is. Tegelijkertijd zie je dat machinefabrikanten inzien dat machines alleen niet meer het verschil kunnen maken. Ook daarbij een quote: ‘De beste veldspuit is waardeloos als je op het verkeerde moment spuit’. Je ziet dan ook dat steeds meer fabrikanten ‘partneren’ met aanbieders van weerstations, bodem- en gewassensoren, drones en satellietbeelden en dat vind ik een goede ontwikkeling. En elke chemiereus biedt tegenwoordig management software aan om hun middelen optimaal te benutten (en te verkopen). Ik hoop dat er op dit gebied geen wildgroei ontstaat.

Ik merk dat de rentabiliteit van al die dure high-tech in de praktijk (nog) niet altijd meevalt. Er zijn loonwerkers die een extra bedrag (durven) rekenen voor het verzamelen van waardevolle data voor hun klanten. Zoals €5 per vracht voor het gebruik van een weeginrichting op silagewagens, of €3/ha voor het gebruik van NIR-opbrengstmeting op een hakselaar. Een goede zaak vind ik. Voor de (nabije) toekomst verwacht ik veel van drones, het Internet of Things, kunstmatige intelligentie, robots en satellietbeelden. Zij gaan zorgen voor verbinding, letterlijk en figuurlijk, tussen grond, gewas, machines, het weer, én boer en loonwerker, tijdrovende en gevaarlijke klusjes overnemen en meer data omzetten in betaalbare informatie.